Artikel 1 bepaalt dat allen die zich in Nederland bevinden in gelijke gevallen gelijk worden behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan. De tweede zinsnede eindigt met de formulering 'op welke grond dan ook'. Deze open formulering wil zeggen dat het discriminatieverbod niet alleen geldt voor de expliciet genoemde gronden, maar dat dit discriminatieverbod ook voor ándere gronden zou kunnen gelden. Welke kenmerken en eigenschappen onder de zinsnede 'op welke grond dan ook' zouden kunnen vallen, kan in de tijd veranderen  en is onder meer afhankelijk van maatschappelijke ontwikkelingen. Ook de gronden die nu expliciet in het wetsartikel zijn vermeld, zijn daar gaandeweg, als gevolg van de maatschappelijke ontwikkeling, terecht gekomen.